Deze kamer is een soort ziekenhuiskamer. We doen er alles aan om ons kind binnen zijn mogelijkheden een fijn leven te geven. Maar of dat altijd lukt?
Deze kamer heeft er niet altijd zo uitgezien. We begonnen met gewoon een lief kinderkamertje. Ik weet nog hoe we de muur hebben geschilderd en de wieg in elkaar hebben gezet. Die schattige mini-kleertjes in de kast, knuffels op het stoeltje… Ons kind was zo welkom! En net als andere ouders hielden we meteen al zo veel van dit mensje.
Liefde en verlies
Tsja, en op een gegeven moment wordt alles anders dan je dacht. Ik heb me weleens afgevraagd wat beter te verdragen is: als je vóór de bevalling al weet dat je kind niet gezond geboren zal worden? Als je ná de bevalling voelt dat er iets niet klopt en je van je roze wolk af dondert? Of als je kind misschien eerst wel gewoon ontwikkelt en het dán misgaat? Ik kan er geen antwoord op geven. Liefde en verbondenheid blijven, maar in alle gevallen verlies je zo veel. Je rouwt terwijl je kind leeft. Heel gek.
Alertheid
Als ouder word je vooral ontzettend alert. Elke nog zo kleine verandering valt je op. Ik weet nog dat ik voor het eerst dingen zag waarvan ik dacht: is dit normaal? Klopt dat wel? Een blik of een beweging of zo. Maar ja, trek je dan metéén aan de bel? Je wil geen overbezorgde ouder zijn. Uiteindelijk doe je dat natuurlijk wel. Een goede arts neemt je serieus, hoort écht wat je vertelt en dóet ook iets. Maar ik heb ook wel ouders gesproken die zó goed aanvoelden dat er iets aan de hand was en die eerst niet werden geloofd. Best naar.
Kijken en vergelijken
Die alertheid gaat nooit meer helemaal weg. Je blijft kijken naar elk klein dingetje dat je niet vertrouwt. Trouwens ook bij broertjes of zusjes die daarna worden geboren. En zelfs bij baby’s van anderen. Het gaat gewoon in je lijf zitten.
Je hebt een kind dat nare dingen ervaart: onrust, krijsen, epilepsie, zweten, problemen met de longen, met de spijsvertering, spasmes… Bij de een is het erger of vaker dan bij de ander. Sommige kinderen hebben ook gewoon goede dagen. Die kunnen misschien ook vreugde ervaren, een beetje spelen. Maar als je kind vooral slechte dagen heeft…poeh.
Gelukkig zijn
Hoe dan ook: als ouder zoek je constant naar iets wat je kind kan helpen om zich oké te voelen. Want echt beter maken…tsja… dat is eigenlijk niet aan de orde. Je wilt gewoon dat je kind op zijn eigen manier gelukkig is. En dat lukt gewoon niet bij elk kind en zeker niet altijd. Als je kind zich niet of nauwelijks ontwikkelt, is dat al heftig. Maar als het dan ook nog oncomfortabel is, dan is dat onverteerbaar.
Zoektocht
Het is een enorme zoektocht. Vaak eerst naar een diagnose en dan naar de ‘juiste’ behandeling, als die er is. Welke medicijnen, in welke dosering, welke sondevoeding, welke rolstoel, welke houding…. En dat houdt letterlijk nooit op. Geen idee hoeveel medicijnen wij inmiddels hebben uitgeprobeerd. Kijk, hier, een hele kast vol. Deze kamer is in de loop der jaren veranderd in een soort ziekenhuiskamer. Natuurlijk maken we het alsnog gezellig. Ja, ook met alle apparatuur, het speciale bed, de rolstoel…
Jezelf opzij
We houden zielsveel van ons kind. Dat houdt nooit op. Daarom zetten we onszelf opzij want dat is wat ouders nou eenmaal doen. Ook als je nog andere kinderen hebt en misschien ook nog probeert te werken: dit kind gaat altijd voor. Niet omdat je dat zo graag wil, maar omdat het móet. Wij weten hoe we in een noodsituatie moeten handelen. Wij kennen alle kleine signalen.
Tegen beter weten in?
Maar juist omdat we zo veel van ons kind houden, doet het ook allemaal zoveel pijn. We gunnen ons kind álles. En dus proberen we van alles, soms tegen beter weten in. Nóg meer medicatie, nóg een onderzoek, een homeopaat of wie je dan ook krijgt aangeprezen… Tegelijkertijd is er diep van binnen dat stemmetje dat zegt: wanneer is het NIET meer oké? Wanneer doen we dit niet meer voor ons kind, maar omdat wij het niet kunnen missen? Daar is geen algemeen passend antwoord op te vinden. Het is voor iedereen anders, maar altijd ingrijpend.
Dáárover nadenken kan me behoorlijk wanhopig en eenzaam laten voelen. Ik wil mijn kind niet kwijt, maar ik wil ook niet dat het lijdt. Soms schrik ik van de gedachtes die ik dan heb, van alles wat er door mijn hoofd schiet. Maar hardop uitspreken… nee, dat durf ik niet zomaar.